STEMPELTYPE
Het dienstorder nr 22,uitgegeven op 19/10/1910 en van kracht vanaf
1/11/1910, bracht de invoering van de tweetalige stempels.
Technische kenmerken: |
| |
datummidden op 4 lijnen met
|
'UUR: in 2 getallen van 0-24
'DAG: in arabische cijfers
'MAAND: in Romeinse cijfers
'JAARTAL: in vier cijfers |
Voor kantoren van wie de kantoornaam kon vertaald worden,werd de
vertaling onderaan in de kroon herhaald; De taalvoorrang was die
van het landsgedeelte waar de gemeente gelegen was.
Voor kantoren waarvan de naam niet kon vertaald worden, werd de
opengebleven ruimte onderaan in de kroon opgevuld met een aantal
punten. Grote kantoren: 7 punten onderaan, kleine kantoren: 13 punten.
Wanneer zich in éénzelfde gemeente meerdere kantoren bevinden,worden
deze niet meer onderscheiden door de toevoeging van de gemeentenaam,
de straat, de wijk, de plaats en waar deze kantoren zich bevinden,
maar nu met een volgnummer. De volgnummers staan in de datumstempels
links en rechts van de kantoornaam, eventueel aangevuld met loketletters,
die de identificatie van de verschillende loketten of diensten moest
mogelijk maken.
In een gemeente waar de twee talen worden gebruikt en in bepaalde
steden waarvoor traditioneel een vertaling bestaat zullen de postkantoren
voorzien worden van tweetalige datum -en naamstempels .
Nieuw-opgerichte kantoren na 1/11/1910 en de meeste grote postkantoren
kregen de nieuwe datumstempel. De meeste kleine kantoren en die
kantoren waar aan de kantoornaam niets moest veranderd worden, behielden
hun oude 23 mm stempel. Ze pasten alleen hun datummidden aan volgens
de onderrichtingen van het dienstorder van 29/10/1910. Op de Mérode
zegels zijn de twee stempels terug te vinden.
Afstempelen van niet voor frankering gebruikte zegels was dienstordelijk
verboden. Daarom dat op welwillendheidsstempels meestal een deel
van de stempel ontbreekt waaraan men de betrokken bediende kon herkennen.
Alle Belgische postkantoren beschikten steeds over minstens 2 datumstempels,
om bij breuk van de ene, met de andere te kunnen verderwerken.Elke
stempel werd apart gesneden met de hand en zelfs de meest begaafde
stempelsnijder kon onmogelijk alle letters precies op dezelfde plaats
en identiek snijden.Hierdoor ontstonden minieme verschillen die
op varianten wijzen.
|
TARIFERING
De reeks de Mérode was enkel frankeergeldig in het binnenlandse
postverkeer. Toch worden de zegels frequent aangetroffen op zendingen
naar het buitenland, waarbij zij meer als vignet dan als frankering
worden gebruikt. Dit als steun voor het Rode Kruis en als eerbetoon
aan de Belgische strijd in de oorlog.
Ook in het binnenlandse postverkeer is een juiste frankering met
Mérode zegels een zeldzaamheid, ook hier treffen we vooral overdreven
frankeringen aan.
Tarieven binnenland (vanaf 1/7/1909 ):
5c: |
postkaart
|
|
10c: |
brief
binnenland van 0-20 g |
|
20c: |
dubbel
tarief binnenland 20-40 g |
|
Aangetekende zending binnenland (en buitenland ):
25c: |
"vast
recht " bovenop het normale tarief . |
|
Tarieven buitenland (vanaf 1/10/1907):
25c: |
brief
van 0 tot 20 g ; per bijkomende 20 g : + 15 c. |
|
Voorkeurtarief:
naar Luxemburg :10 c (tot 20gr)
naar Nederland : 20 c (tot 20 gr)
Grenstarief: voor postverkeer tussen kantoren aan weerszijden van
de grens die hoogstens 30 km uit elkaar liggen.
Naar Nederland, Frankrijk, Duitsland : 10 c (tot 20 g).
Op basis van het exterritorialiteitsprincipe werd het kantoor te
Le Havre beschouwd als Belgisch grondgebied en briefwisseling afgegeven
in dit kantoor en gefrankeerd met Belgische zegels werd beschouwd
als behorend tot het Belgisch grondgebied, dus post vanuit Le Havre
naar andere delen van het Belgisch grondgebied werd beschouwd als
binnenlandse post. Zo diende een gewone brief (tot 20 gr) gefrankeerd
te worden met 10 centiem. Alle gebouwen van Le Havre ingenomen door
de Belgische administratie werden beschouwd als behorend tot het
Belgisch grondgebied, en waren onderhevig aan de binnenlandse Belgische
tarieven . |
|